Lesmateriaal

In Vlaanderen hoor je vandaag de dag allerlei soorten Nederlands spreken, gaande van “echt, authentiek” dialect tot Standaardnederlands (= Algemeen Nederlands) zoals dat in de nieuwsprogramma’s van de openbare omroep wordt gebruikt. Taalvariatie is, zoals elke vorm van diversiteit, op zich een positief gegeven. Voor leerkrachten Nederlands komt het erop aan de leerlingen vertrouwd te maken met de belangrijkste componenten van die variatie in het taallandschap – dialect, tussentaal, standaardtaal – die elk hun plaats hebben in de communicatie.

Hieronder worden enkele didactische leermiddelen en lesideeën opgesomd die de leerkracht van nut kunnen zijn om het thema taalvariatie op een boeiende en originele manier te benaderen.

Verantwoording
Een educatief luik op een website die Dialectloket heet: moeten de leerlingen dan dialect gaan leren in de les Nederlands? Helemaal niet. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om met het lesmateriaal van Dialectloket de leerlingen het lokale dialect van hun grootouders actief te gaan aanleren. Dialectloket gaat daarentegen uit van systeemonderscheidende strategieën om het leerproces van de thuistaal naar het Standaardnederlands te bevorderen. In plaats van de standaardtaal steeds als uitgangspunt te nemen, krijgt hier het hele spectrum aan taalvariatie een plaats in de les Nederlands. Zo leren jongeren om in het taalcontinuüm waar hun tussentaal deel van uitmaakt, in te schatten welke taalelementen thuishoren in hun tussentaal of dialect en welke tot de algemene standaardtaal behoren. Een grondig inzicht in het Nederlandse taallandschap vormt immers de beste basis voor de verwerving en beheersing van de Nederlandse standaardtaal.
Tussentaal, wa is da?
Jongeren hebben waarschijnlijk al gehoord van tussentaal, maar kunnen ze ook de concrete kenmerken herkennen? Een oefening hierop helpt hen bewuster om te gaan met hun eigen taal en leert hen reflecteren over wat kan en niet kan in Standaardnederlands.

Het basisidee is dat de leerkracht fragmenten laat horen en die laat beoordelen door groepjes leerlingen die aanduiden welke niet-standaardtalige verschijnselen opvallen. Dit doe je best zonder transcriptie van het fragment, want enkel zo wordt duidelijk welke kenmerken voor de leerlingen opvallen en welke niet. Je kan elk fragment ook tweemaal laten horen en de resultaten van beide luisterbeurten vergelijken (welke kenmerken vallen direct op, welke minder?), de resultaten van de groepjes vergelijken enz. Een overzicht van de kenmerken van tussentaal vind je op deze pagina of in dit artikel.

Geluidsfragmenten in tussentaal vind je in ons geluidsloket, op Youtube (denk aan bekende personen, tv-programma’s,…) of in het Corpus Gesproken Nederlands (CGN). Het Corpus Gesproken Nederlands is een digitale databank van hedendaags gesproken Nederlands van Vlaamse en Nederlandse volwassenen. In totaal omvat het CGN negenhonderd uur spraakopnames, wat overeenkomt met ongeveer negen miljoen woorden. Het CGN onderscheidt verschillende teksttypes: spontane face-to-face conversaties, interviews, telefoondialogen, enz. Voor elk spraakfragment stelt het CGN een orthografische transcriptie ter beschikking, i.e. een woordelijke neerslag van wat er gezegd wordt. Het CGN is aan te vragen via http://www.tst.inl.nl/producten. Onderzoekers in Vlaanderen en Nederland maken dankbaar gebruik van het CGN voor de studie van de gesproken taal in Vlaanderen.
  Thema

Kenmerken van tussentaal

Niveau

tweede graad, derde graad

Eindtermen

2e graad: ASO 38.2, TSO 37.2
3e graad: ASO 31.2, TSO 30.2
(OND.Vlaanderen 2015)

Standaardtaal, tussentaal en dialect
Hoe staan de leerlingen tegenover standaardtaal, tussentaal en dialecten?  Vinden ze dialecten oubollig of net hip? Zouden ze eerder iemand vertrouwen met een standaardtalige uitspraak of een tussentaalspreker? Welke variëteit vinden ze de mooiste? Matched of mixed-guise onderzoek kan de leerlingen stimuleren om daarover na te denken en kan perfect dienen als appetizer aan het begin van de les, om de leerlingen warm te maken voor het onderwerp taalvariatie. 

De techniek houdt in dat aan een groep leerlingen enkele geluidsopnames worden voorgelegd. Zij worden gevraagd om de sprekers van die fragmenten te beoordelen. Dat kan met open vragen van de leerkracht (‘wat vond je van het eerste fragment?’, ‘hoe zou je de spreker omschrijven?’) of met vooraf bepaalde criteria (verzorgd/slordig, gezellig/afstandelijk, succesvol, (on)betrouwbaar, enz.) waarop de leerlingen de sprekers en hun taalgebruik scoren.

Wat de leerlingen echter niet weten bij matched guised-onderzoek , is dat het gaat om fragmenten van één en dezelfde spreker die verschillende taalvariëteiten gebruikt. Doordat de stem en de inhoud van de fragmenten steeds dezelfde zijn, kunnen we de attitude van de leerlingen tegenover de verschillende taalvariëteiten achterhalen. Bij mixed-guised onderzoek spreekt telkens een andere persoon de fragmenten in. Hier worden de vragen gesteld of de criteria gescoord telkens nadat de leerlingen een fragment beluisterd hebben.

Je kan iemand op band fragmenten laten inspreken in verschillende variëteiten van het Nederlands (= matched guise), je kan ook gebruik maken van bestaande opnames op deze site (Stemmen uit het heden) of de leerlingen kunnen hun eigen materiaal verzamelen in  het Corpus Gesproken Nederlands of in televisie- en radioprogramma’s  (mixed guise).

 Thema

Standaardtaal, tussentaal, dialect

 Niveau

derde graad

 Eindtermen

ASO 4, 31.2, 31.3
TSO 4, 30.2
(OND.Vlaanderen 2015)

Reclamespots

Leerlingen spreken onderling vaak tussentaal. Daar is niks mis mee; voor velen is het de thuistaal of de moedertaal. Wat belangrijker is, is dat leerlingen weten dat er situaties zijn waarin ze beter de ene of de andere variëteit gebruiken. Aan de hand van reclamespots op tv of op de radio kan worden aangetoond hoe de taakverdeling tussen tussentaal en standaardtaal precies werkt.

Uit onderzoek van Saman (2003) naar tussentaal in reclamespotjes is gebleken dat de makers van de spotjes rekening houden met de taakverdeling tussen de taalvariëteiten in Vlaanderen. Tussentaal wordt immers gebruikt voor de informele, persoonlijke gesprekken (bv. een dialoog waarin ‘gewone mensen’ praten over aanbiedingen); standaardtaal voor de formele, zakelijke mededelingen (bv. een metastem die op het einde van het spotje de boodschap in correcte standaardtaal herhaalt: de voice-over).

Leerkrachten kunnen zelf reclamespots gebruiken in hun lessen om registervariatie aan te tonen. Laat de leerlingen nadenken over het taalgebruik in reclamespots op radio of tv: Zijn die meestal in standaardtaal of in tussentaal? Wat kan een reden zijn voor een reclamemaker om voor een bepaalde variëteit te kiezen? Kunnen ze voorbeelden geven van spots in tussentaal? Toon een aantal spots (of laat ze horen) en laat de leerlingen ontdekken dat de formele, informatieve boodschap vrijwel altijd in Standaardnederlands volgt. Los van de reclamespots kan je de leerlingen nog een aantal situaties laten bedenken waarin ze eerder voor tussentaal of eerder voor standaardtaal zouden kiezen. Laat de leerlingen hun situaties voorleggen en bespreek ze in groep.

Enkele voorbeelden van reclamespots in tussentaal vind je hier (Win for Life). Denk ook aan spots van Hebbes.be , Touring verzekeringen, Gamma, Flair , Base, …

 Thema

Standaardtaal en tussentaal
Reclame

 Niveau

derde graad

 Eindtermen

ASO: 2, 4, 29*, 31.2
TSO: 2, 4, 28*, 30.2
(OND.Vlaanderen 2015)

Jongerentaal
Jongerentaal is een sociolect waarmee jongeren hun eigenheid uitdrukken en waarmee ze zich willen onderscheiden van de rest van de gemeenschap. Vooral woorden en uitdrukkingen die te maken hebben met de specifieke leefstijl van jongeren wijken af van de ‘algemene’ taal.  Dit kan een ideaal thema zijn om de onderzoeksvaardigheden van je leerlingen aan te scherpen.

Leerlingen kunnen gevraagd worden typische jongerentaalwoorden uit jongerentijdschriften op te tekenen en te analyseren. Ze kunnen daarbij op zoek gaan naar ontleningen uit vreemde talen, bekrachtigers (bvb. mega, kei), positief-kwalificerende adjectieven (bv. cool, graaf, trendy) en ongebruikelijke samenstellingen (bv. Tommy ‘losse handjes’ Lee, ‘ik-brand-van-nieuwsgierigheid-gehalte’). 

Een tip is ook het boek Variatie(s) op je bord! Dialect en jongerentaal voor eten en drinken, een uitgave van vzw Variaties,

een koepelorganisatie voor dialecten en oraal erfgoed in Vlaanderen. Evelien van Renterghem heeft bij jongeren in het hele Vlaamse dialectgebied een enquête afgenomen over jongerentaalwoorden voor allerhande begrippen rond eten, drinken en uitgaan. Zo worden in het boek de jongerentaalwoorden voor onder andere pintje, tipsy, joint, enz. uitgelegd.

Als leerkracht kan je aan de hand van dit boek één of meerdere begrippen selecteren en een werkbundel opstellen waarin een aantal vragen (bv. naar etymologie) gesteld worden. Met behulp van de taalkaarten op deze website en woordenboekmateriaal (bv. WNT) kunnen groepjes leerlingen op zoek gaan naar de antwoorden. Zo ondervinden de leerlingen welke methodes voorhanden zijn om onderzoek naar taalvariatie te verrichten waarbij hun skills om aan wetenschap te doen worden gestimuleerd.

 Thema

Jongerentaal
Etymologie

 Niveau

derde graad

 Eindtermen

ASO: 14, 18*, 31.2, 32.5
TSO: 14, 18*, 30.2, 31.4
(OND.Vlaanderen 2015)

Waar komt mijn naam vandaan?

Peeters, Janssens, Maes, Jacobs, Willems, Mertens, Claes, De Smet,… Veel kans dat een van je leerlingen een familienaam draagt uit het bovenstaande lijstje. Geen toeval, want alle acht behoren ze tot de top-10 meest voorkomende familienamen in Vlaanderen. Een naam is iets erg persoonlijks en wekt daarom snel de interesse van de leerlingen: Wat betekent hun (familie)naam? Waar komt hij vandaan?,…

De leerkracht kan de leerlingen de taak geven hun eigen voornaam en/of familienaam thuis of in de klas op te zoeken. Hiervoor bestaan verschillende tools, zowel online als in boekvorm. Voor familienamen zijn er de website www.familienaam.be en de boeken Mijn familienaam. Waar komt die vandaan? (2012) en het Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk ( 2003) van Frans Debrabandere en Achternamen in Nederland en Vlaanderen. Oorsprong, geschiedenis en betekenis van J. Winkler & J. Nijen Twilhaar (2006).

De betekenis van voornamen vind je op de Nederlandse Voornamen Databank van het Meertens Instituut en in het boek Prisma voornamen van J. Van der Schaar (2010). Op de website van Kind en Gezin wordt ook elk jaar een lijstje gepubliceerd met de populairste voornamen. Je kan er bovendien zien hoeveel kinderen er de laatste jaren geboren zijn met jouw naam.

Vervolgens kunnen leerlingen elkaar de etymologie van hun naam verklaren en aan de hand daarvan kan een indeling gemaakt worden in benoemingsmotieven (bv. patroniemen, eigenschapsnamen,…). Op de website familienaam.be vind je trouwens nog veel meer uitleg over onze familienamen: Hoe zijn die ontstaan? Wanneer zijn ze officieel vastgelegd? Hoe verklaar je de variatie in bv. De Graef/De Graaf.  Een komische toets geef je aan je les met enkele foute combinaties van voor- en familienamen. In dit artikel vind je alvast inspiratie.

 Thema

Naamkunde: voornamen, familienamen

 Niveau

tweede graad, derde graad

 Eindtermen

ASO: 15, 32.5
TSO: 15, 31.4
(OND.Vlaanderen 2015)

Stemmen uit het verleden: dialectkennis en dialectverlies

De kennis van het dialect gaat in Vlaanderen zienderogen achteruit: wie weet nog wat een biezestekker en een ruiskabuis zijn? Dialect is vaak een taboe in de klas, maar toch kan het thema een uitstekende invalshoek zijn om jongeren bewust te maken van taalverandering, hen op verschillende manieren informatie te leren opzoeken en sociale vaardigheden zoals assertiviteit te ontwikkelen.

De leerkracht kan met de hele klas lexicaal onderzoek doen naar dialectkennis of dialectverlies. Uitgangspunt daarbij zijn bijvoorbeeld de opnames uit de collectie Stemmen uit het verleden. De leerlingen beluisteren een opname uit de eigen streek en schrijven woorden op die ze zelf niet meer kennen. De betekenis van die woorden gaan ze na in geschreven (dialectwoordenboeken) of online bronnen (woordenbank, WVD, WNT,…). De leerkracht kan die tools aanreiken, maar de leerlingen kunnen ook zelf brainstormen over mogelijke zoekmiddelen en bronnen.

Met de uiteindelijke lijst van onbekende dialectwoorden gaan de leerlingen op pad. Tijdens interviews/enquêtes op straat (de markt is bijvoorbeeld een ideale gelegenheid) vragen ze een aantal mensen uit de omgeving of zij de woorden nog kennen. De resultaten van de enquête worden samengelegd en klassikaal of in groepjes geanalyseerd. Zo worden de leerlingen gestimuleerd om te zoeken naar diepere inzichten en verbanden te leggen tussen dialectkennis en andere factoren zoals leeftijd, woonplaats (stad/dorp),…

De collectie dialectopnames van Stemmen uit het Verleden vind je hier. Met een 750-tal opnames voor 550 plaatsen is er altijd wel een voorhanden uit je streek. Lexicaal onderzoek kan ook vertrekken vanuit een woordveld in plaats van vanuit een opname. Kies bijvoorbeeld een bepaald thema binnen de woordenboeken van het WVD en ga na wat de dialectwoorden voor jouw streek zijn. Ook hieruit kan je een lijst met onbekende woorden opstellen.

 Thema

Dialect
Taalverandering
Woordenschat

 Niveau

derde graad

 Eindtermen

ASO: 3, 10, 31.2
TSO: 3, 10,30.2
(OND.Vlaanderen 2015)

Taalvariatie met Twitter

Vlamingen gebruiken soms andere woorden dan hun noorderburen: wij zeggen microgrolf, zij zeggen magnetron, wij zeggen bankkaart, zij zeggen pinpas. Dat zijn de klassieke voorbeelden. Het Gele boekje van de Standaard somt nog heel wat andere gevallen op. In plaats van die variatie in lijstjes van buiten te leren, krijgen de leerlingen meer voeling met het thema als ze de verspreiding  van woorden zelf kunnen ontdekken met moderne media zoals Twitter.

Twinl.nl is een gratis analysetool waarmee je Vlaamse en Nederlandse tweets vanaf 2010 kan doorzoeken. Twnl toont je voor de woorden die je zoekt waar, wanneer en hoe vaak ze worden gebruikt, door wie en met welke andere woorden ze vaak voorkomen. Wie een zoekterm ingeeft, kan rekenen op een aantal mooie visuele resultaten zoals een heatmap die de verspreiding van het zoekwoord in de tweets weergeeft, een overzicht van de tweets waarin het woord voorkomt, diagrammen met de leeftijd en het geslacht van de twitteraars enz.

Met Twinl.nl kan je vertrekken van klassieke taalzorgitems zoals alweer/weeral of lijstjes van BN en NN zoals pechstrook/vluchtstrook. Zulke items vind je op taaladviessites zoals VRT-Taalnet of Taaladvies.net, in het Gele Boekje van de Standaard of in het boek Typisch Vlaams van Ludo Permentier en Rik Schutz.

Laat de leerlingen de theorie toetsen aan de taalpraktijk: Komen de woorden enkel in Nederlandse of enkel in Vlaamse tweets voor of in het hele taalgebied? Welke variant komt het meeste voor: de regionale of de algemene? Twinl is een moderne tool die aansluit bij de leefwereld van de leerlingen. De applicatie biedt veel mogelijkheden in de les Nederlands en is eenvoudig te gebruiken. Je dient gewoon even een account aan te maken en je kan aan de slag. Een minpuntje: het doorzoeken van de tweets vergt relatief veel tijd. Daarom is het soms handiger om de leerlingen thuis te laten experimenteren met de website, en hen de resultaten te laten meebrengen naar de klas.

 Thema

Belgisch-Nederlands/Nederlands-Nederlands
Taalzorg

 Niveau

derde graad

 Eindtermen
ASO: 31.2
TSO: 30.2
(OND.Vlaanderen 2015)

twiqs2   twiqs3

Infographics

Een infographic is een grafische weergave van informatie over een bepaald onderwerp. Je tekst wordt omgezet in een beeld met grafieken, diagrammen, kaarten, cijfers enz. Infographics visualiseren de informatie op een heldere en gestructureerde manier en zien er bovendien erg aantrekkelijk uit, wat ze de laatste jaren enorm populair maakt. Ook in de les Nederlands, kan je ermee aan de slag!

Visuele schema’s worden al langer gebruikt in het onderwijs om informatie te structureren. Denk maar aan mindmaps die de leerlingen helpen een overzicht te vormen van hun leerstof en door de informatie als beeld voor te stellen, die beter te onthouden. Infographics zijn minder bedoeld als hulpmiddel bij het studeren, maar wel ideaal om leerlingen bepaalde informatie zelfstandig te laten verkennen en daar de belangrijkste informatie uit te lichten. Voor ze de informatie als infographic kunnen voorstellen, moeten ze die namelijk doornemen, hoofdzaken onderscheiden van bijzaken, een duidelijke structuur geven enz. Leren samenvatten dus, met een helemaal up-to-date techniek waarbij ze al hun creativiteit in de strijd kunnen gooien.

Een infographic kan je in principe gebruiken in elke les: aardrijkskunde, biologie, wiskunde en dus ook in de les Nederlands. Een thema dat zich daar perfect toe leent, is het Nederlands in feiten en cijfers.

Waar wordt het Nederlands gesproken in de wereld? Welke variëteiten worden onderscheiden? Hoe oud is het Nederlands? Allemaal vragen waarop leerlingen een antwoord kunnen ontdekken op het Dialectloket of op de website van de Nederlandse Taalunie. Laat je leerlingen die website rustig verkennen en met de gevonden informatie een originele infographic maken over de Nederlandse taal!

Als de leerlingen enthousiast reageren op de opdracht, kan je bovendien een extra fase met posterpresentatie koppelen aan de les, waarin de leerlingen elkaar hun werk tonen. Om voldoende publiek te hebben, werk je hiervoor het best met 2 groepen. Laat telkens een deel van de klas hun poster presenteren, terwijl de andere leerlingen langskomen als publiek. Na ongeveer 20 min. wissel je de groepen.

Om een infographic te maken, bestaan er online verschillende tools zoals Piktochart, Infogr.am en Easel.ly. Je registreren met een gebruikersnaam en wachtwoord volstaat meestal om toegang te krijgen tot de gratis templates. Die zijn beperkt in aantal en mogelijkheden, maar met een beetje creativiteit kan je er best iets moois mee maken. Voorbeelden nodig? Op Google, Pinterest en in de gallerijen van de infographicwebsites vind je inspiratie genoeg!

 Thema

Nederlands in feiten en cijfers

 Niveau

tweede graad, derde graad

 Eindtermen

tweede graad ASO:  22*, 38.2 / TSO: 22*, 37.2
derde graad ASO: 16, 18*, 31.2 / TSO: 16, 18*, 30.2 (OND.Vlaanderen 2015)

infographic

infographic 2

Nederlands, wereldtaal

Het Nederlands is de moedertaal van zo’n 23 miljoen mensen, maar die wonen niet allemaal in België en Nederland. Door middel van de audiofragmenten op Dialectloket komen de leerlingen in aanraking met meer ‘exotische’ variëteiten van onze taal en maken ze kennis met het hele Nederlandse taalgebied.

Leerlingen kennen het Nederlands als de taal van Vlaanderen en Nederland. Dat het Nederlands ook in Suriname en het Nederlandse Caribische gebied wordt gesproken, komt (vooral in Vlaanderen) minder aan bod. Toch behoort de kennis van het hele Nederlandse taalgebied tot de taalbeschouwelijke basiskennis van elke leerling. Om een meer realistische indruk te geven van ons taalgebied,

kan de leerkracht de geluidsfragmenten van Stemmen uit de wereld gebruiken. In combinatie met een wereldkaart kan je de leerlingen laten raden en aanduiden waar de verschillende variëteiten/zustertalen/dochtertalen van het Nederlands worden gesproken. Een tweede ronde, eventueel met beeldmateriaal, kan meer duidelijkheid brengen.

Een dergelijke quiz in het begin van de les motiveert de leerlingen om na te denken over de verspreiding van het Nederlands in de wereld. De leerinhoud komt meer naar voren wanneer de wereldkaart gezamenlijk voorzien wordt van kleurencodes: het Nederlands als officiële taal, als zustertaal, als dochtertaal, sporen van het Nederlands,…

 Thema

Nederlands in de wereld, Surinaams Nederlands, Afrikaans

 Niveau

eerste graad, tweede graad

 Eindtermen

eerste graad A-stroom: 22
tweede graad: ASO: 38.2 / TSO: 37.2
(OND.Vlaanderen 2015)

De dialectoloog in jou

 Op zoek naar een leuke activiteit die leerlingen samen met hun grootouders (of andere ouderen) kunnen doen? Gebruik dan het materiaal van het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten en ontdek de dialectoloog in jou!

Het samenstellen van een dialectwoordenboek of het tekenen van een taalkaart begint vaak bij de enquête. De onderzoeker gaat naar de dialectsprekers zelf (de informanten) om er een vragenlijst in te vullen en dialectgegevens te verzamelen. Dat is een proces dat ook leerlingen in de eerste graad zelf kunnen uitvoeren met hun grootouders of andere ouderen (bv. in het plaatselijke zorgcentrum). Enerzijds leert het de leerlingen reflecteren op het gebruik van verschillende taalvariëteiten in hun omgeving en anderzijds draagt de opdracht ook bij aan vakoverschrijdende doelen zoals de ontwikkeling van de communicatieve en empathische vermogens.

Het WVD doet al jaren onderzoek met tal van vragenlijsten, waarvan je er op deze pagina een aantal kan downloaden.

Kies samen met de leerlingen een thema waarover ze de dialectwoordenschat willen leren kennen en selecteer (een deel uit) de betreffende vragenlijst. Hiermee kunnen de leerlingen zelfstandig op pad.

Met de resultaten van de enquête kan je verschillende zaken doen: (1) De leerlingen kunnen de antwoorden van de informanten vergelijken met gegevens uit dialectwoordenboeken. (2) Als alle antwoorden gebundeld worden, kunnen de leerlingen enkele resultaten van hun onderzoek visueel voorstellen met bv. diagrammen van dialectkennis per begrip (hoeveel procent van de informanten kende een dialectwoord), dialectkennis per geslacht, enz. (3) Als er voldoende geografische verspreiding is onder de grootouders, kunnen de gegevens in kaart gebracht worden. Daarvoor gebruik je de Basiskaart van het WVD, met deze korte handleiding. Nu maar hopen op veel variatie en wie weet maken jullie samen een mooie woordkaart!

 

Tips en links

  • Een aantal van bovenstaande lesideeën zijn geïnspireerd op de workshop over onderzoekscompetenties Nederlands van Steven Delarue (Studiedag ‘Competent in onderzoek?’, 03/02/2015, Universiteit Gent). Een uitwerking van de ideeën en meer voorbeelden vind je in de slideshare over de workshop.
  • In het lespakket Nederlands in vogelvlucht van de Vlaamse Overheid zit ook een les over het Belgisch Nederlands verwerkt, met een heleboel kant en klare oefeningen.
  • Voor de provincie Limburg werkten Jos van Thienen en Rob Belemans een creatief lespakket uit over dialect en taalvariatie, voor de tweede en de derde graad secundair onderwijs: Ich kal ooch Limburgs (2000, Hasselt: Provincie Limburg).
  • Fons is een nieuw tijdschrift voor vakdidactiek Nederlands en verschijnt tweemaal per jaar online en op papier. Je vindt er concrete lestips en didactisch materiaal, zowel voor taalkundige thema’s als voor de lessen literatuur.
  • Twijfelen de leerlingen over spelling, grammatica of taalzorgitems? Laat hen het antwoord zelf opzoeken op Taaladvies.net, op het VRT-Taalnet, op de website van de Taaltelefoon of op die van het Genootschap Onze Taal.