Brabants

Dialectgebiedkaart_dialectgebieden_aangepastKaart van de zuidelijk-Nederlandse dialectgebieden, naar Taeldeman (2001).

Het Brabantse dialectgebied komt grotendeels overeen met de Nederlandse provincie Noord-Brabant en de Belgische provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant. Ook in de Oost-Vlaamse Denderstreek echter wordt er Brabants gesproken, net als in de Limburgse streek rond Lommel en Tessenderlo. Het Brabants wordt zowel in het westen als in het oosten van de Vlaamse resp. de Limburgse dialectgroep afgescheiden door een overgangszone, met daarin isoglossenbundels. De westelijke overgangszone wordt gevormd door de Denderstreek en het Waasland. De oostelijke isoglossenbundel wordt de Getelijn genoemd. Het Brabants is sedert de 16de eeuw het dominante dialect in Nederlandstalig België.

Enkele kenmerken van het Brabants

Klanken

Het Brabants wordt in de eerste plaats gekenmerkt door zgn. umlautsverschijnselen. Een umlaut (Duits voor ‘verklinking’ = verandering van klank) is een verandering van een beklemtoonde klinker onder invloed van en in de richting van een klinker die volgt in een onbeklemtoonde lettergreep, die achteraf is weggevallen. De bekendste umlaut is die onder invloed van de i (de zgn. i-umlaut), zoals in wgm. *grôni > gruun ‘groen’. Dergelijke umlauten op lange klinkers komen voor in het Brabants, Limburgs en uiteraard ook in het Duits (en andere Germaanse talen). Voorbeelden van woorden met umlaut zijn pruuve ‘proeven’ en kèès ‘kaas’ (vgl. Duits prüfen en Käse). In het Duits wordt de umlaut aangeduid met een trema op de klinker; in het Nederlands wordt de umlaut op een andere manier gespeld, vgl. Köln met Keulen (uit Colonia).

De umlautsverschijnselen vertonen een terraslandschap: in het westen van het Nederlandse taalgebied  is er enkel umlaut op korte klinkers (*bădi > bed(de)); het verschijnsel neemt toe in oostelijke richting. Ook lange klinkers krijgen umlaut in het Brabants en meer naar het oosten krijgt de umlaut ook morfologische waarde: ze treedt op in verkleinwoorden (vanaf het oosten van Brabant boombeumke), in meervouden (Limburgs voetvuuj), en in de vervoeging van werkwoorden (Limburgs slaopendich sluuëps).

terraslandschap_secundaire_umlaut

Terraslandschap van de secundaire umlaut (naar Goossens 1996:65)

 

Een aantal middeleeuwse klankkenmerken bleven in vele Brabantse dialecten behouden. De i en de u worden er net als in het Middelnederlands ‘scherp’ uitgesproken als ie en uu, in bijv. iek ‘ik’ en puut ‘put’. Ook de klinkers in bijv. ziek en voet zijn lang gebleven; in het AN zijn ze verkort.

Naast oude klanken zijn er in het Brabants ook vernieuwingen te vinden. De Middelnederlandse lange ie en uu (als in ies ‘ijs’ en huus ‘huis’) zijn er vanaf de 14de eeuw ontwikkeld naar tweeklanken, die in het AN uiteindelijk de tweeklanken ei en ui hebben opgeleverd. Dezelfde ontwikkeling heeft zich ook in het Hollands voorgedaan. Tegenwoordig worden in het Brabants die tweeklanken erg open gerealiseerd: dan klinkt huis als oas, oeës, aaës enz.

De uitspraak van de lange aa verschilt van streek tot streek; meestal is er zgn. ‘verdonkering’ opgetreden (tot oa, ou, oo …). In Leuven hoort men vooral een oo (mooke ‘maken’, ooved ‘avond’); in Brussel een oe met een naslag (moeëke ‘maken’, stroeët ‘straat’) en in Mechelen een aa, waarvan de uitspraak sterk aanleunt bij de Nederlandse uitspraak. De lange oo (bijv. in brood) klinkt meestal als oeë (broeëd), soms ook als eu of uuë  (ook bruud, bijv. in Brussel). De lange ee wordt als ieë gerealiseerd (stieën ‘steen’), of als ee (beek) of èè (spèèle ‘spelen’). In sommige streken (o.a. de Denderstreek) kan men de uu en de eu niet uitspreken (dat heet ontronding): muur wordt dan mier, deur wordt deer.

Bepaalde klanken vallen in het Brabants weg. De eind-e (de zgn. sjwa) bijvoorbeeld, die in de Vlaamse dialecten dikwijls voorkomt op het einde van (vooral vrouwelijke) woorden (bijv. katte i.p.v. kat), valt weg in de Brabantse dialecten. Ook de eind-n wordt weggelaten bij infinitieven en meervouden (als in zitte en boeke). Af en toe wordt er weliswaar ook een sjwa in een woord ingevoegd (vb. mellek i.p.v. melk). Zo’n klank wordt met een erg geleerd woord een svarabhaktivocaal genoemd. In het zuiden van Vlaams-Brabant wordt na een lange klinker de r soms weggelaten als in ie es bie ‘hier is bier’ (o.a. in Brussel en Leuven).

Woordenschat

De Brabantse dialectwoordenschat is vastgelegd in verschillende regionale en plaatselijke woordenboeken. Een aantal daarvan is ondertussen gedigitaliseerd en als een groot online woordenboek raadpleegbaar in de woordenbank op deze website. Zowel van klanken als woorden en syntactische verschijnselen tekenen dialectologen taalkaarten. Met een symbool op elke vindplaats wordt weergegeven waar een bepaald dialectwoord precies wordt gebruikt.

Onderstaande kaarten tonen twee zulke typische Brabantse dialectwoorden. Aan de symbolen op de kaart kan je namelijk zien dat Brabanders bijvoorbeeld spreken van een bloedpens of zwarte pens (‘bloedworst’) en een schuifaf/rijsaf (‘glijbaan’), waar hun buren het doorgaans hebben over bloeling, beuling of bloedworst en een slierbaan of een glijbaan.

bloedworst2WVD-redactie, Universiteit Gent
glijbaan (Medium)
WVD-redactie, Universiteit Gent (Tineke De Pauw)
 

Brabantse dialectwoordenboeken

Algemeen

  • Woordenboek van de Brabantse dialecten, K.U. Nijmegen en K.U. Leuven. (online zoeken)

Vlaams Brabant

  • Bonroy, F. (2005). Hoe lang nog… Diest: Diestse Gidsenbond
  • Claes, D. (1904). Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Gent: Siffer
  • Goemans, L. (1936-1954). Leuvensch Taaleigen-Woordenboek. Tongeren: Michiels
  • Peetermans, F. (1995), Guuks, dialectstudie van de Gooikse (een Pajottenlandse) omgangstaal.Gooik, Gooikse Heemkundige Kring 
  • Peetermans, F. (2002), Guuëks 2. Dialectstudie van een Pajottenlandse omgangstaal.
  • Pletinckx, L. (2003). Het woordenboek van het Asses, Asse: Koninklijke Heemkring Ascania
  • Swillen, A. (2001). Wélle Klappe Tins – ‘n speise và diksionèèr. Tienen: Kommetéét va Pikke Stijkès
  • Tuerlinckx, J.F. (1886), Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Gent, Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde

 

Antwerpen

  • P.J. Cornelissen & J.B. Vervliet (1899-1906). Idioticon van het Antwerpsch Dialect (Stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen). Gent: Siffer
  • P.J. Cornelissen & J.B. Vervliet (1899-1906). Idioticon van het Antwerpsch Dialect – Aanhangsel (Stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen). Gent: Siffer
  • P.J. Cornelissen & J.B. Vervliet (1936, 1938, 1939). Idioticon van het Antwerpsch Dialect – Bijvoegsel. Turnhout: Drukkerij J. van Mierlo-Proost

 

Lees meer

  • De Schutter, G. en J. Nuyts (2005). Stads-Antwerps. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 7,6 kB, 180p.)
  • De Vriendt, S. (2004). Brussels. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 5,5 kB, 132p.)
  • Heestermans, H. en J. Stroop (2002), West-Brabants. (Taal in stad en land). Den Haag: Sdu Uitgevers.
  • Ooms, M. & J. Van Keymeulen (2005). Vlaams-Brabants en Antwerps. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 4,8 kB, 132p.)
  • Swanenberg, J. en C. Swanenberg (2003). Oost-Brabants. (Taal in stad en land). Den Haag: Sdu Uitgevers. (PDF, 10,8 kB, 124p.)

Meer weten?
  • Belemans, R. en J. Goossens (2000). Woordenboek van de Brabantse Dialecten. Deel III. Inleiding en Klankgeografie. Assen: Van Gorcum.
  • De Schutter, G. (2013). The dialects of the Brabant region: Phonological properties.  In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 277-297.
  • De Schutter, G. (2013). The dialects of Brabant : Grammatical properties.  In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 279-319.
  • Taeldeman, J. (2001). De regenboog van de Vlaamse dialecten. In: M. Devos et al. Het taallandschap in Vlaanderen. Wetenschappelijke nascholing RUG 2000-2001, 1-15. (bron overzichtskaart)

West-Vlaams Zeeuws-Vlaams Frans-Vlaams Oost-Vlaams Limburgs Overgangszone tussen West-Vlaams en Oost-Vlaams Overgangszone tussen Oost-Vlaams en Brabants Overgangszone tussen Brabants en Limburgs