Limburgs

Dialectgebied

kaart_dialectgebieden_aangepast

 Kaart van de zuidelijk-Nederlandse dialectgebieden, naar Taeldeman (2001).

Het Limburgs wordt gesproken in Belgisch en Nederlands Limburg. In Nederland heeft het in 1997 zelfs de status van streektaal gekregen, via het ‘Europese Handvest voor regionale talen en talen van minderheden’. Het Limburgs wordt van het Brabants gescheiden door een overgangszone langs de Gete. Tessenderlo en Lommel liggen echter aan de Brabantse kant van de isoglossenbundel van de zgn. Getelijn.

Het Limburgs/Rijnlands was in de Middeleeuwen de taal van een belangrijk cultuurcentrum in het zuidoosten van het taalgebied, met Keulen als centrum. Een aantal isoglossen maakt in Limburg een cirkelboog; de punt van de passer staat dan in Keulen. Het Limburgs heeft weinig bijgedragen tot het ontstaan van het Standaardnederlands – daardoor klinken de dialecten van deze groep in andere streken soms erg vreemd in de oren.

Naar het oosten toe vormt het Limburgs een continuüm met de Rijnlandse dialecten. De dialecten aan de overkant van de staatsgrens met Duitsland worden Duitse dialecten genoemd omdat ze door de Duitse cultuurtaal worden overkoepeld.

Het Limburgs kan in een viertal grote zones verdeeld worden: het West-Limburgs, het Centraal-Limburgs en het Oost-Limburgs; in het overgangsgebied met het Brabants is er dan nog het zgn. Brabants-Limburgs. De belangrijkste grens binnen het Limburgs is die tussen West- en Centraal-Limburgse dialecten, waarbij de laatste groep al dichter naar het Rijnlands neigt.

Limburgs

Uit: Belemans en Keulen (2004:27)

Enkele kenmerken van het Limburgs

Klanken

Limburgse dialecten worden gekenmerkt door een opvallende tonaliteit. Limburgers ‘zingen’. Vele traditionele Limburgse dialecten hebben twee tonen: volle klinkers kunnen met een sleeptoon of een stoottoon uitgesproken worden, een onderscheid dat soms betekenisverschil teweegbrengt. Het woord bal bijv. betekent met de  ‘zangerige’ sleeptoon ‘(voet)bal’, met de ‘krachtige’ stoottoon ‘dansfeest’; schuur met een sleeptoon betekent ‘scheur’, met een stoottoon echter ‘schuur’. Ook het verschil tussen enkelvoud en meervoud wordt soms (vooral) door het verschil in toon gedragen. Een ander markant Limburgs verschijnsel (dat ook wel in andere provincies voorkomt) is de zgn. ontronding; in ontrondende dialectgebieden kan men o.a. de uu en eu niet uitspreken; in plaats van muur en sleutel zegt men dan mier en sleetel. Het Limburgs bewaart ook erg oude klinkers: huis wordt er soms als huus (algemeen in het Middelnederlands) of zelfs als hoes (Oudnederlands) uitgesproken. Ook de Middelnederlandse ie als in ies ‘ijs’ komt voor in een aantal oostelijke dialecten.

ontronding_Belemans_Keulen

Belemans, R. en R. Keulen (2004), Belgisch-Limburgs. (Taal in stad en land).

 

Wat de medeklinkers betreft, wijzen we op de -t-wegval (verkoch, verlos i.p.v. verkocht en verlost), die overigens ook in andere dialectgroepen voorkomt en op verschijnselen die aan het Duits doen denken. Limburgs is echter niet door het Duits beïnvloed; Limburgs en Duits zijn samen tot stand gekomen en hebben daardoor een aantal kenmerken gemeen. Net als in het Duits wordt ten oosten van de zgn. Panningerlijn de sch- als sj- uitgesproken (school > sjool). Sommige isoglossen van de zgn. Hoogduitse klankverschuiving (als p>pf/f, t>ts/s, k>kch/ch) reiken zelfs tot in oostelijk Vlaams-Brabant. De ik/ich-lijn is de noordgrens van die klankverschuiving; ze begint aan de taalgrens in Brabant en gaat dan in een grote boog naar Duitsland toe (zie de kaart bovenaan in de tekst). In Remscheid komt ze samen met de maken/machen-lijn, waarna ze samen Noord-Duitsland doorkruisen tot aan het Poolse taalgebied. Alle dialecten ten noorden van de lijn worden Nederlands/Nederduits genoemd; alle dialecten ten zuiden ervan hebben Hoogduitse klankverschuivingen meegemaakt. De overgang tussen Limburgs en Rijnlands wordt dus gevormd door een terraslandschap (de zgn. Rijnlandse waaier) met een steeds toenemend aantal Hoogduitse verschuivingen in zuidoostelijke richting.

Woordvorming

Een verschijnsel dat wel in het Limburgs, maar niet in andere dialectgroepen voorkomt, zijn verkleinwoorden, meervouden en vervoegingen die met umlaut gevormd worden, net als in het Duits. Enkele voorbeelden: manmenneke ‘mannetje’, potputteke ‘potje’; ‘knop – knoppen’ = knoepknuup, ‘poot – poten’ = pootpeut; mooke ‘maken’– he mukt ‘hij maakt’. Doordat de umlaut gecombineerd kan worden met de toonverschillen, hebben heel wat Limburgse dialecten erg complexe klinkerverschijnselen.

Een erg opmerkelijk, maar uitstervend, Limburgs verschijnsel is het achtervoegsel -tère bij werkwoorden om een gelijktijdigheid uit te drukken: Al kallentère kamme se èn tsjoul ‘Al pratend kwamen ze aan de school’.

Woordenschat

De Limburgse dialectwoordenschat is vastgelegd in verschillende regionale woordenboeken. Die zijn ondertussen gedigitaliseerd en als een groot online woordenboek raadpleegbaar in de woordenbank op deze website.

Zowel van klanken als van vormen, woorden en syntactische verschijnselen tekenen dialectologen taalkaarten. Met een symbool op elke vindplaats wordt weergegeven waar een bepaald dialectwoord precies wordt gebruikt. Als dezelfde symbolen zich dus groeperen in het Limburgse gebied (in tegenstelling tot andere gebieden), dan kunnen we spreken van een ‘typisch Limburgs woord’: piepel (‘vlinder’), schok(kel) (‘schommel’),…

schommel (Medium)WVD-redactie, Universiteit Gent (Tineke De Pauw)

gekleurde vlinder

WVD-redactie, Universiteit Gent (Kristien Van der Sypt en Jacques Van Keymeulen)

Limburgse dialectwoordenboeken

  • Woordenboek van de Limburgse Dialecten, K.U. Nijmegen en K.U. Leuven. (online zoeken)
  • Castermans, J. e.a. (2000). Diepenbeeks. Eigenwoordig en eigenzinnig. Diepenbeek: Heemkundige Kring Diepenbeek
  • X. Staelens (1982). Dieksjenèèr van ‘t (H)essels: 6000 trefwoorden: Nederlands-Hasselts woordenboek. Hasselt: Heideland.
  • Rutten, A. (1890), Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon. Antwerpen, Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde; Boucherij
  • Rutten, A. (1904), Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon. Antwerpen,Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde; Boucherij.

 

Lees meer

Belemans, R. en R. Keulen (2004), Belgisch-Limburgs. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 5,7 kB, 126p.)

Meer weten?
  • Bakkes, P. (2002), Venloos, Roermonds en Sittards. (Taal in stad en land). Den Haag: Sdu Uitgevers.
  • Cornips, L. (2003), Heerlens Nederlands.(Taal in stad en land). Den Haag: Sdu Uitgevers.
  • Cornips, L. (2013). Recent developments in the Limburg dialect region. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 378-399.
  • Hermans, B. (2013). Phonological features of Limburgian dialects. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 336-356.
  • Hermans. B en G. De Schutter (2013). The Limburg dialects: Grammatical properties. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 356-378.
  • Salemans, B. en F. Aarts (2002), Maastrichts. (Taal in stad en land). Den Haag: Sdu Uitgevers.
  • Vereniging voor Limburgse Dialect- en NaamkundeTijdschrift Veldeke, Limburgse dialect- en Naamkunde (http://www.veldeke.net/home.htm (NL) en http://www.veldekebelsjlimburg.be/ (B)).

West-Vlaams Zeeuws-Vlaams Frans-Vlaams Oost-Vlaams Brabants Overgangszone tussen West-Vlaamsen Oost-Vlaams Overgangszone tussen Oost-Vlaams en Brabants  Overgangszone tussen Brabants en Limburgs