Oost-Vlaams

Dialectgebied


kaart_dialectgebieden_aangepast
Kaart van de zuidelijk-Nederlandse dialectgebieden, naar Taeldeman (2001). 

Oost-Vlaanderen herbergt verschillende dialectzones: van west naar oost zijn er (1) de overgangszone met het West-Vlaams, (2) het echte ‘Oost-Vlaamse’ dialectgebied (in westelijk Oost-Vlaanderen) en oostelijk daarvan (3) de overgangszone naar het Brabants. In de Oost-Vlaamse Denderstreek (met Dendermonde, Aalst, Ninove en Geraardsbergen) worden al Brabantse dialecten gesproken; in het Waasland is de verbrabantsing minder sterk. Opvallend aan het landschap is dat er zich ook twee stadsdialecten tot aparte taaleilanden hebben ontwikkeld: het dialect van Gent en dat van Ronse. Ook de dialecten van het Land van Hulst in Nederland kunnen tot het Oost-Vlaams gerekend worden.

De dialecten in Oost-Vlaanderen leken vroeger sterk op het West-Vlaams, maar zijn in de loop van de Middeleeuwen verbrabantst, waardoor het oude Vlaams in twee delen uiteenviel. In de westelijke 2/3 van Oost-Vlaanderen hebben zich in de 18de eeuw dan nog nieuwe, eigen veranderingen voorgedaan, waardoor een nieuwe dialectgroep ontstond.

Enkele kenmerken van het Oost-Vlaams

Klanken

Een aantal taalvernieuwingen die vanaf de late Middeleeuwen vanuit Brabant zijn geëxpandeerd, als het vervangen van de oude Vlaamse lange ie en uu (als in ies ‘ijs’ en uus ‘huis’) door èè en ui, en eeë en ooë door ieë en uuë (als in stieën ‘steen’ en buuëm ‘boom’) hebben het overgangsgebied met het West-Vlaams bereikt. Waarschijnlijk heeft Gent ooit gediend als uitstralingshaard voor die Brabantse vernieuwingen.

In de 18de eeuw hebben zich in de westelijke twee derden van de provincie een aantal vernieuwingen voorgedaan, die niet aan Brabantse invloed toe te schrijven zijn. Om te beginnen werd de tegenstelling tussen lange en korte klinkers opgeheven: op het platteland werden alle korte klinkers een beetje langer, alle lange een beetje korter. In Gent werden alle klinkers lang; zat en zot klinken er als zaat en zoot. Op de tweede plaats worden p-t-k stemhebbend tussen klinkers: appel, zetel en bakker klinken als abbel(e), zedel(e) en baGGer(e) (met een G zoals in het Franse garçon). Beide verschijnselen zijn waarschijnlijk te wijten aan zgn. spanningsverlies dat in deze dialectgroep is opgetreden. Daarmee wordt bedoeld dat zowel klinkers en medeklinkers ‘slapper’ worden uitgesproken. Op de derde plaats is er ook een zgn. ‘breking’ van korte klinkers in een korte tweeklank: vis en put worden als viës en puët uitgesproken.

Misschien hebben ook andere typische Oost-Vlaamse verschijnselen met spanningsverlies te maken. De -g- en de -ng- als in liggen en zingen kunnen wegvallen tussen klinkers, waarbij er lange neusklanken ontstaan. Ook de -j- en de -w- als in bloeien (bloeën) of beenhouwer (bieënaar) kunnen wegvallen.

gentse_taaleiland

Het valt op dat Gent niet aan die typische Oost-Vlaamse plattelandsverschijnselen meedoet, hoewel ze waarschijnlijk ooit in Gent zijn ontstaan en vandaaruit verspreid zijn geraakt. Stad en platteland hebben zich hier sterk van elkaar afgezet, waardoor het Gents een taaleiland is geworden. Dat geldt – maar in beperktere mate – ook voor het stadsdialect van Ronse. Typisch Gents (en ‘Ronsies’) is de huig-r i.p.v. een rollende tongpunt-r. Die manier om een r uit te spreken is aan Franse invloed toe te schrijven. De huig-r wordt vanuit Gent over over een groot Oost-Vlaams gebied geëxpandeerd.

Woordvorming

Een opmerkelijk verschijnsel dat vooral in Oost-Vlaanderen voorkomt, is de zwakke verleden tijd van werkwoorden op -tege of -dege: i.p.v. hij speelde of hij pakte wordt het dan hij speeldege en hij paktege. Het Oost-Vlaams lijkt soms op het AN: in de vervoeging van het werkwoord zijn is de vorm ik ben algemeen, in tegenstelling tot ek zien ‘ik zijn’ in vele West-Vlaamse en iek zaan (en varianten) ‘ik zijn’ in vele Brabantse dialecten. Helemaal afwijkend van het AN zijn dan weer de dubbele achtervoegsels (zgn. stapelvormen) bij vrouwelijke functiebenamingen als bij naaisterigge, strijksterigge …. In het westelijke Oost-Vlaams voegt men dan aan de werkwoordstam (bijv. naai-) zowel -ster (vlg. werkster) als -igge toe, een achtervoegsel dat we in het Nederlands enkel kennen in dievegge. Een mooi en zeer oud Gents woord is dan ook achterwaardsterigge voor de kraamhulp (uit achterwaarden ‘nazorg geven’). Meer naar het oosten toe zegt men naaies(se) of naaias(se) voor ‘naaister’; het -es-affix komt ook in het AN voor, maar enkel na mannelijke functienamen (bijv. meesteres).

tege_dege

Verleden tijd op -tege/-dege (Taeldeman 2005:30)

Woordenschat

De Oost-Vlaamse dialectwoordenschat is vastgelegd in verschillende regionale en lokale woordenboeken. Een aantal daarvan is ondertussen gedigitaliseerd en als een groot online woordenboek raadpleegbaar in de woordenbank op deze website.

Zowel van klanken als woorden en syntactische verschijnselen tekenen dialectologen taalkaarten. Met een symbool op elke vindplaats wordt weergegeven waar een bepaald dialectwoord precies wordt gebruikt. Als dezelfde symbolen zich dus groeperen in het Oost-Vlaamse gebied (in tegenstelling tot andere gebieden), dan kunnen we spreken van een ‘typisch Oost-Vlaams woord’: lekkerkoek (‘peperkoek’), kodde (‘haarvlecht’), (bieza)bijs (‘schommel’), pinker (‘wimper’), teek (‘regenworm’),…


haarvlecht2
WVD-redactie, Universiteit Gent 
peperkoek
WVD-redactie, Universiteit Gent (Evelien Van Renterghem)
 

Oost-Vlaamse dialectwoordenboeken

  • Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, Universiteit Gent. (zoek online)
  • Joos, A. (1900). Waasch Idioticon. Gent/St-Niklaas: Siffer/Strijbol
  • De Bruyne, C. & F. Bauwens  (1998). Den Dikken Baens. Diksjonèer van de Bèerlerse Sprouk. Berlare: Heem- en Oudheidkundige Kring
  • Teirlinck, I. (1908-1924), Zuid-Oost-Vlaandersch Idioticon. Gent: A. Siffer, Herdruk: Handzame, Familia et Patria
  • Taeldeman, J. (2011). Woordenboek van de Oosterzeelse Dialecten. Gent: Nevelland Graphics,
  • Lievevrouw-Coopman, L. (1950-1952). Gents woordenboek. Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde Reeks VI, nr. 68. Gent: Erasmus. Herdruk: Gent: Broers, 1974
  • De Pauw, T. en E. Wille (2013), Dialectwoordenboek Zuidwest-Meetjesland en omstreken. Aalter: Drukkerij De Maertelaere

 

Lees meer

Taeldeman, J. (2005). Oost-Vlaams. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 5 kB, 132p.)

Meer weten?
  • Taeldeman, J.  (1999). Het Gents. In: Kruijsen, J. en N. van der Sijs (red.), Honderd jaar stadstaal. Amsterdam/Antwerpen : Contact.
  • Taeldeman, J. (2001). De regenboog van de Vlaamse dialecten. In: M. Devos et al. Het taallandschap in Vlaanderen. Wetenschappelijke nascholing RUG 2000-2001, 1-15. (bron overzichtskaart)
  • Taeldeman, J. (2013). East Flemish: Phonology.  In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 211-235.

West-Vlaams Zeeuws-Vlaams Frans-Vlaams Brabants Limburgs Overgangszone tussen West-Vlaamsen Oost-Vlaams  Overgangszone tussen Oost-Vlaams en Brabants Overgangszone tussen Brabants en Limburgs