West-Vlaams

Dialectgebied

West-Vlaamse dialecten worden gesproken in de zuidwestelijke hoek van het Nederlandse taalgebied: in de provincie West-Vlaanderen, in Frans-Vlaanderen (Frankrijk) en in Zeeuws-Vlaanderen (behalve het Land van Hulst) in Nederland. De dialectgroep wordt door een overgangszone van het Oost-Vlaams gescheiden.

kaart_dialectgebieden_aangepast
 Kaart van de zuidelijk-Nederlandse dialectgebieden, naar Taeldeman (2001).
 

De West-Vlaamse dialectgroep is perifeer gelegen en heeft daardoor minder contact gehad met andere dialecten dan de centralere dialectgroepen. Het West-Vlaamse klanksysteem is daardoor relatief conservatief gebleven. De invloed van het Brabantse dialect, dat vanaf het einde van de late Middeleeuwen dominant was geworden, heeft het Vlaamse dialect in twee delen doen uiteenvallen. Oost-Vlaams kan voor een groot deel als verbrabantst Vlaams gekarakteriseerd worden, en heeft in de westelijke 2/3 van de provincie ook nog eigen kenmerken ontwikkeld. Typisch voor het Vlaamse dialect is ook de zeer oude invloed van het (Picardische) Frans.

Het West-Vlaamse gebied kan in drie grote zones verdeeld worden: het Noord-West-Vlaams, het westelijke West-Vlaams en het zgn. continentale West-Vlaams. Die zones worden door isoglossenbundels van elkaar gescheiden. De belangrijkste verschillen zijn te vinden tussen het westelijke West-Vlaams en Noord-West-Vlaams enerzijds (samen Kustwestvlaams genoemd) en het continentale West-Vlaams anderzijds.

indelingwestvlaams

Uit: Devos en Vandekerckhove 2005:29

 
 

Enkele kenmerken van het West-Vlaams

Klanken

Typisch voor het West-Vlaams is de aanwezigheid van zgn. Ingveoonse (= Noordzeegermaanse) kenmerken, die ook in het Engels terug te vinden zijn, zoals de i in pit ‘put’ en dinne (vgl. Engels pit en thin) of de u in butter ‘boter’ en dunder ‘donder’ (vgl. Engels butter en thunder). Die kenmerken zijn geen gevolg van Engelse invloed, maar zijn de oeroude getuigen van de kolonisatie van Germaanse zeevolkeren (Saksen) vanaf het einde van de 3de eeuw, die heeft plaatsgehad zowel aan de Engelse kust als aan de kust van de Nederlanden. Die Noordzeegermaanse kenmerken, die ook in het Zeeuws, het Hollands en het Fries voorkomen, nemen stelselmatig af naar het oosten toe.

Een algemeen bekend kenmerk van het West-Vlaams is de verwarring tussen g en h. In de West- en Oost-Vlaamse dialecten komt de h niet voor (hoe wordt als oe uitgesproken), maar West-Vlamingen spreken bovendien de g- (als in geven) uit als een (stemhebbende) h– (dus heevm), waardoor de verwarring compleet wordt.

Opmerkelijk is het behoud van de Middelnederlandse ie en uu als in griez(d)e muuze voor ‘grijze muis’ en de uitspraak ooë/oeë (als in grooët/groeët) en eeë (steeën) tegenover Oost-Vlaams gruuët en stieën. Een vrij algemeen kenmerk is ook de ontwikkeling van een oe-klank uit een oude korte a/o + l + d/t als in koed en oet voor ‘koud’ en ‘hout’ (vgl. Engels cold en Duits kalt en Holz). Ook de ieë voor ie (als in zieëk ‘ziek’) en de oeë voor oe (als in voeët ‘voet’, maar wel doek/douk ‘doek’) bestrijkt een groot gebied in West-Vlaanderen, net zoals de uitspraak zeur voor ‘zuur’.

Een heleboel verschijnselen bestrijken maar een deel van de provincie. Een mooi voorbeeld daarvan is de uitspraak van de sch- als in schole ‘school’. Die wordt maar zelden uitgesproken als een sch-, maar meestal als een sjch- (in het westen van de provincie) of een sk– (Kortrijk en wijde omgeving) of zelfs een s? (=s+glottisslag, noordoost West-Vlaanderen).

Woordvorming

Ook in de woordvormen merken we verschijnselen die aan het Engels doen denken, en die als Ingveonismen beoordeeld moeten worden. Hoe meer naar het westen van de provincie, hoe meer meervouden op -s er optreden bij enkelvoudige zelfstandige naamwoorden: vormen als kats, honds, rats zijn grotendeels tot de Westhoek beperkt; meervouden als zeuns ‘zonen’, treins, brils, zwiens ‘varkens’, keuns ‘konijnen’ enz. komen in heel de provincie voor (en zelfs verder naar het oosten toe).

Soms lijken de West-Vlaamse kustdialecten op het Hollands. Dat is het geval bij de verkleinwoorden, waar net als in Holland het oude -kin-suffix, dat elders de -ke(n)vormen heeft opgeleverd (als in manneke/ manneken), naar een -tje is geëvolueerd, en naar nog andere verwante vormen. Een echte Bruggeling kon men eertijds herkennen aan de uitspraak uuzetjie ‘huisje’, i.p.v. uuzetje, laat staan uuzeke. De achtervoegsels voor de verkleinwoorden vormen in West-Vlaanderen een complex patroon.

Woordenschat

De West-Vlaamse dialectwoordenschat is vastgelegd in verschillende regionale en lokale woordenboeken. Een aantal daarvan is ondertussen gedigitaliseerd en als een groot online woordenboek raadpleegbaar in de woordenbank op deze website.

Zowel van klanken als woorden en syntactische verschijnselen tekenen dialectologen taalkaarten. Met een symbool op elke vindplaats wordt weergegeven waar een bepaald dialectwoord precies wordt gebruikt. Als dezelfde symbolen zich dus groeperen in het West-Vlaamse gebied (in tegenstelling tot andere gebieden), dan kunnen we spreken van een ‘typisch West-Vlaams woord’: tuimelet (‘koprol’), renne/jutekako (‘schommel’), schietlap (‘katapult’), stekkerdraad (‘prikkeldraad’),…

 katapult 
WVD-redactie, Universiteit Gent (Tineke De Pauw)

 2_Prikkeldraadkaart Een recurrent patroon-page-001

WVD-redactie, Universiteit Gent (Hugo Ryckeboer)

 

 

West-Vlaamse dialectwoordenboeken

  • Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, Universiteit Gent. (online zoeken)
  • De Bo, L. (1873). Westvlaamsch Idioticon. Brugge: Gailliard. Heruitgave door Joseph Samyn: Gent: Siffer, 1890-1892. Herdruk 1970, 1976, 1884: Handzame: Familia et Patria
  • Debrabandere, F. (1999). Kortrijks Woordenboek. Kortrijk: De leiegouw; Brugge: Van de Wiele
  • Debrabandere, F. (2010). West-Vlaams Zakwoordenboek. Antwerpen: Artus
  • Gezelle, G. en J. Craeynest (1907-1909), Loquela. Taalkundig maandblad door G. Gezelle uitgegeven van 1881 tot 1895; tot woordenboek omgewerkt door J. Craeynest. Amsterdam, Veen. Derde druk: Tielt/Amsterdam, Lannoo/Veen, z.j. [1946].
  • Desnerck, R. (1972). Oostends Woordenboek. Handzame, [eigen uitgave auteur]. Vierde, uitgebreide herdruk: 2007
  • Vallaeys, A. (1997). Woordenboek van het Poperings. Poperinge, Stad Poperinge

 

Lees meer

Devos, M. & R. Vandekerckhove (2005). West-Vlaams. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo. (PDF, 7,6 kB, 176p.)

Meer weten?
  • Devos M., H. Ryckeboer et al. (1979). Woordenboek van de Vlaamse Dialecten. Inleiding. Tongeren: Drukkerij G. Michiels.
  • Devos, M. (2006). Genese en structuur van het Vlaamse dialectlandschap. In: De Caluwe J. en M. Devos, Structuren in talige variatie in Vlaanderen. Gent: Academia Press, 35-61.
  • Devos, M. (2013). The grammar of the southwestern dialects. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 174-194.
  • Taeldeman, J. (2001). De regenboog van de Vlaamse dialecten. In: M. Devos et al. Het taallandschap in Vlaanderen. Wetenschappelijke nascholing RUG 2000-2001, 1-15. (bron overzichtskaart)
  • Taeldeman, J. (2013). The southwestern dialect area: Phonology. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 150-174.
  • Vandekerckhove, R. (2013). Southwestern dialects today. In: F. Hinskens en J. Taeldeman (red.), Language and Space: Dutch. Berlijn: De Gruyter / Mouton, 194-211.
  • Vercoullie, J. (1885). Spraakleer van het Westvlaamsch Dialect. In: Onze Volkstaal 2, 3-47.

Frans-Vlaams  Zeeuws-Vlaams  Oost-Vlaams  Brabants  Limburgs Overgangszone tussen West-Vlaams en Oost-Vlaams  Overgangszone tussen Oost-Vlaams en Brabants Overgangszone tussen Brabants en Limburgs