Reeks Nederlandse Dialectatlassen

Naar de RND

Over de RND

Wat is de RND?

De Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND) is het geesteskind van prof. E. Blancquaert van de Gentse Universiteit en bevat de transcripties van 141 zinnetjes die voor 1.956 plaatsen in het Nederlandse en Friese Taalgebied in het plaatselijke dialect zijn vertaald en door een taalgeleerde fonetisch zijn genoteerd. De onderneming, waaraan talrijke vakgenoten in Nederland en Vlaanderen hebben meegewerkt, duurde meer dan een halve eeuw en resulteerde in een verzameling van meer dan een kwart miljoen dialectische zinnen, die nu  digitaal ter beschikking worden gesteld.

Geschiedenis en opzet

In de jaren 20 van de vorige eeuw vatte prof. E. Blancquaert van de Gentse Universiteit het plan op om 141 zinnetjes (in een paar gevallen opsommingen van woorden of vervoegingen) in het dialect te laten vertalen door goede dialectsprekers en nauwgezet fonetisch te (laten) noteren. Hij startte in zijn geboortestreek Klein-Brabant, maar geleidelijk aan werd het project uitgebreid tot heel Vlaanderen en later ook tot Nederland, met inbegrip van Friesland. E. Blancquaert en zijn latere opvolger Willem Pée hebben niet alleen zelf vele transcripties gemaakt, maar hebben ook heel wat collega’s en vakgenoten weten te overtuigen om mee te werken.

Blancquaerts bedoeling was de basis te creëren voor taalgeografisch onderzoek; daarom heet de reeks ‘Dialectatlassen’. De transcripties werden inderdaad ook op kaarten ingetekend. De verzameling kaarten werd gedigitaliseerd door het Meertens Instituut in Amsterdam en werden daar in de digitale kaartenbank ondergebracht (zie http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/). De kaarten zijn zgn. ‘objectieve kaarten’ omdat de fonetische transcripties ongeïnterpreteerd op de kaart werden gezet. Blancquaert inspireerde zich daarbij op het voorbeeld van zijn leermeester Gilliéron van de Atlas Linguistique de la France.

De opvragingen begonnen in 1923 en de eerste dialectatlas verscheen in 1925 (uiteraard die van Klein-Brabant), het 16de deel verscheen 1967 (Groningen en Noord-Drente), het laatste deel (deel 14, over Zuid-Drente en Noord-Overijssel) pas in 1982. Blancquaert had de bedoeling alle gemeenten van meer dan 2000 inwoners te bewerken en indien nodig ook de tussenliggende plaatsen om zo een gelijkvormig net te bekomen. Zelden liggen twee meetpunten meer dan 5 km van elkaar. Bij voorkeur werden zegslieden “van gemiddelden leeftijd” ondervraagd; in elk geval moest de zegsman/zegsvrouw het plaatselijke dialect door en door kennen.

Er is dus meer dan een halve eeuw (59 jaar!) gewerkt aan het project, dat uiteindelijk resulteerde in transcripties voor 1.956 plaatsten, met in totaal meer dan een kwart miljoen zinnetjes. Ze geven een beeld van de dialecttoestand in de eerste helft van de 20ste eeuw. Blancquaert zag in dat de materiaalverzameling zeer belangrijk en zeer dringend was, en heeft meer tijd besteed aan de verzameling dan aan de bestudering van de dialectklanken. De RND is dan ook achteraf de voornaamste bron gebleken voor dialectgeografisch onderzoek op fonetisch en fonologisch gebied. Ook andere taaldomeinen als morfologie, syntaxis en lexicon hebben overigens met de RND hun voordeel kunnen doen. Honderden dialectstudies zijn achteraf op de RND gebaseerd (voor een paar voorbeelden, zie www.dialectloket.be).

Het spreekt vanzelf dat de dialectologie sedert het verschijnen van de 16 RND-boekdelen vooruit is gegaan, en dat men gaandeweg ook enkele gebreken heeft ontdekt. Niet alle interessante klankverschijnselen zijn via de RND-verzameling te bestuderen en de transcripties zijn niet altijd optimaal. De AN-zinnetjes die als basis voor de opvraging dienden, zijn soms verre van natuurlijk, en daardoor moeilijk te vertalen. Blancquaert probeerde namelijk om allerlei mogelijke ontwikkelingen van het Oudgermaanse klanksysteem, samen met bepaalde verschijnselen uit de vormleer, syntaxis en woordenschat, in woorden onder te brengen en met die woorden dan zinnetjes te maken. Dat lukte af en toe vrij goed, maar lang niet altijd. Er is overigens zowel een ‘Vlaamse’ als een ‘Noord-Nederlandse’ versie gemaakt, omdat men er gaandeweg achter kwam dat in sommige streken bepaalde AN-zinnetjes moeilijk begrepen werden (zie Blancquaert 1948, onder de knop Publicaties en de knop Zinnen in het Nederlands).

Om de onvolkomenheden van de RND recht te zetten, werd er op het einde van de 20ste eeuw een nieuwe enquête gelanceerd, die naar de initiatiefnemers ervan de naam Goeman-Taeldeman-Van Reenenproject (GTRP-project) meekreeg. Dat project had als bedoeling de fonologie en morfologie van de Nederlandse dialecten te bestuderen aan de hand van een mondeling opgevraagde lijst van 1.976 woorden en korte zinnetjes voor 622 plaatsen in het Nederlandse taalgebied. De fonetisch getranscribeerde gegevens zijn beschikbaar aan het Meertens Instituut in Amsterdam en resulteerden in twee atlassen: deFonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (FAND, 1998-2005) en de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten(MAND, 2005-2008).

De “enormous data collection” is nu “made available electronically”. We hopen dat ze druk bekeken en gebruikt zal worden. In de toekomst hopen we de database verder te kunnen verfijnen en verrijken om zo de reusachtige hoeveelheid taalmateriaal beter doorzoekbaar te maken.

RND-delen
  1. Blancquaert, E. (1925 / 1952), Dialect-atlas van Klein-Brabant (met aanvullingen van Fr. Vanacker).
  2. Blancquaert, E. en H. Vangassen (1930), Dialect-atlas van Zuid-Oost-Vlaanderen.
  3. Blancquaert, E. (1935), Dialect-atlas van Noord-Oost-Vlaanderen en Zeeuwsch-Vlaanderen.
  4. Vangassen, H. (1938), Dialect-atlas van Vlaamsch-Brabant.
  5. Blancquaert, E. en P. J. Meertens (1940-1941), Dialect-atlas van de Zeeuwse eilanden.
  6. Pée, W. (m.m.v. E. Blancquaert) (1946), Dialect-atlas van West-Vlaanderen en Fransch-Vlaanderen.
  7. Pée, W. (1958), Dialektatlas van Antwerpen.
  8. Blancquaert, E., J. Claessens, W. Goffin en A. Stevens (1962), Dialekt-atlas van Belgisch-Limburg en Zuid-Nederlands-Limburg.
  9. Weijnen A. (1952) Dialect-atlas van Noord-Brabant, 1952.
  10. Hol, A. en J. Passage (1966), Dialect-atlas van Oost-Brabant, Noord-Limburg en de Rivierenstreek.
  11. Van Oyen, L. (m.m.v. Blancquaert, E. en C. Van der Voet) (1968), Dialektatlas van Zuid-Holland en Utrecht
  12. Entjes, H. en A. Hol (1973), Dialektatlas van Gelderland en Zuid-Overijsel.
  13. Daan, J. (1969), Dialektatlas van Noord-Holland.
  14. Entjes, H. (1976), Dialektatlas van Zuid-Drente en Noord-Overijsel.
  15. Boelens, K. en G. Van der Woude (m.m.v. K. Fokkema en Blancquaert) (1955), Dialect-atlas van Friesland.
  16. Sassen, A. (1967) Dialekt-atlas van Groningen en Noord-Drente.